Dit jaar viert de KU Leuven haar 600-jarig bestaan. In het archief van de universiteitsbibliotheek berust echter een document dat nog veel ouder is. Het dateert uit 1255 en heeft een bijzondere
band met Bierbeek. Het handelt over de Sint-Hilariuskerk, die binnenkort opnieuw haar deuren opent.
OUDSTE AKTE IN HET UNIVERSITEITSARCHIEF
Het document is een indrukwekkend perkament van 51 bij 64 centimeter, oorspronkelijk voorzien van drie zegels. Het gaat om een zogenaamde vidimus: een officieel overzicht van bestaande akten die door bevoegde personen kondenworden geraadpleegd.
De opgenomen documenten hebben betrekking op de overdracht van het patronaatsrecht, ondermeer over de watermolen, en andere kerkelijke rechten van de kerk van Bierbeek aan de Abdij van Sint-Nicaise te Reims.
WAT GING ERAAN VOORAF?
Aanvankelijk werd de bediening van de kerk toevertrouwd aan een kapittel van kanunniken, aangesteld door dorpsheer Hendrik I van Bierbeek. Deze priesters leefden in gemeenschap, maar hadden daarnaast ook een wereldlijke opdracht.
In 1189 stond Iwein van Bierbeek de kerk en haar bezittingen af aan de abdij van Sint-Nicaise, met de bedoeling er een priorij te vestigen. Afgesproken werd dat bij elk overlijden van een kanunnik een monnik zijn plaats zou innemen. Pas na het overlijden van de laatste kanunnik zou de overdracht volledig voltrokken zijn.
EEN MOEIZAME OVERGANG
Die overgang verliep allesbehalve vlot. Meer dan vijftig jaar lang waren er betwistingen, tot paus, hertog en andere gezagsdragers moesten tussenkomen. De deken van Cambrai kreeg uiteindelijk de opdracht om de situatie in Bierbeek te regelen.
In 1240 namen de monniken definitief hun intrek in Bierbeek. Vijftien jaar later werd de officiële inschrijvingsakte verleden. De priorij van Sint-Nicaise bleef vervolgens nog
meer dan 300 jaar bestaan.
Uit die periode dateren onder meer de doopvont, de oudste heiligenbeelden, twee grafstenen en de relikwie van Sint-Hilarius.
DE QUEESTE VAN HET PERKAMENT
In 1561 maakte Pius IV een einde aan het bestaan van de priorij. De goederen en rechten werden toevertrouwd aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Leuvense universiteit. Een deel van het archief kwam zo terecht in het universiteitsarchief.
Bij het begin van de Franse bezetting in 1794 bracht archivaris Jan Frans van de Velde een groot deel van dat archief in veiligheid in Altona (Denemarken). Later keerde het materiaal terug naar Vlaanderen, maar raakte het verspreid over verschillende locaties. Het charter belandde uiteindelijk in Gent en werd pas in 2001 opnieuw in bewaring gegeven aan de KU Leuven.
Vandaag is het document het oudste charter in het universiteitsarchief.
Met dank aan Marc Nelissen en Cyriel Vanderwegen.
